ster

Eerste ster

Wanneer je bij de Welpen geïnstalleerd wordt heb je nog geen ‘sterren’ op je pet. Naarmate je meer leert en kunt, kan je je eerste ster verdienen. Dat doe je door elk van de onderstaande onderdelen af te laten vinken. Het verdienen van de eerste ster symboliseert de nog blinde pas geboren Welp die zijn eerste oog open doet.

Na het verdienen van je eerste ster, kun je verder gaan werken voor je tweede ster.

Overzicht

 

1. Kompas tekenen
2. Bokspringen
3. Touwtje springen
4. Een acht hinkelen
5. Boeken lopen

6. Platte knoop
7. Schootsteek
8. Achtknoop
9. Balgooien- en vangen
10. Klokkijken

11. EHBO (deel 1)
12. Hout hakken (deel 1)
13. Bezemen en zwabberen
14. De verkeersregels
15. De groepsregels

 

1. Kompas tekenen

Een kompas bestaat uit een ronde plaat, met in het midden een naald die meestal aan één kant rood is. Deze naald wijst altijd naar het Noorden. Een kompas is handig om te kunnen bepalen in welke richting je loopt. Het Noorden is één van de windrichtingen. Er tegenover staat het Zuiden. Rechts ervan staat het Oosten en links het Westen.

Deze windrichtingen worden afgekort met hun eerste letter, ofwel N, O, Z en W. Er zijn ook termen om de richtingen daartussen aan te duiden. Een voorbeeld, NW (Noord-West) zit precies tussen die twee windrichtingen in. Bij het samenvoegen van deze letters is het belangrijk te onthouden dat het N en Z belangrijker zijn, dus het wordt NO (Noord-Oost) en niet ON (Oost-Noord).

windstreken

2. Bokspringen

Bokspringen staat ook wel bekend als haasje over. Voor dit onderdeel zijn er een paar Welpen nodig, waarbij je een rij vormt. De achterste kan dan over al zijn voorgangers springen, en dat herhaalt zich tot iedereen is geweest.

Als bok ga je met hoofd weg van degene die gaat springen staan en pak je je knieholten vast. Buig je hoofd naar bewegen. Als degene die gaat springen een stuk kleiner dan jou is, zul je wat verder moeten zakken.

Als je gaat springen is het vooral belangrijk je goed af te zetten met je voeten, en de rug van de bok maar lichtjes aan te raken met je vingertoppen. Veer wat door naar het landen en begin weer aan de volgende sprong.

3. Touwtje springen

Touwtje springen is een ontzettend goede oefening, waarbij je vrijwel elke spier in je lichaam gebruikt. Goed touwtje springen wil zeggen dat je zachtjes op je tenen neerkomt en bijna gelijk weer aan de volgende sprong begint. 

Voor dit onderdeel moet je 15x achter elkaar touwtje springen met een klein springtouw, en met het grote springtouw (die wordt dan gedraaid door de leiding of andere Welpen).

4. Een acht hinkelen

Bij hinkelen maak je kleine sprongetjes met één voet, terwijl de andere continu in de lucht blijft. Tijdens het hinkelen staat je lichaam buiten balans en door het te oefenen wordt je dus beter in je evenwicht bewaren.

Hinkel een ruime acht, zonder tussendoor te stoppen, en herhaal dat drie keer om dit onderdeel af te ronden.

5. Boeken lopen

Loop met een boek (of plankje) op je hoofd vijf meter, draai je om en hurk, en loop vervolgens weer terug naar waar je begonnen bent.

Alleen door je rug heel recht te houden zal het lukken om het boek niet te laten vallen!

6. Platte knoop

De platte knoop wordt gebruikt om twee touwen die ongeveer even dik zijn aan elkaar te knopen. De knoop is goed te onthouden met de regel: links over rechts, rechts over links.

Het belangrijkste is dat je niet twee keer hetzelfde doet (bijvoorbeeld twee keer met links beginnen). Of de knoop goed gelukt is kan eenvoudig gecontroleerd worden door alle vier de uiteinden naar elkaar toe te bewegen.

platte knoop 1

7. Schootsteek

Waar de platte knoop wordt gebruikt voor twee even dikke touwen, daar wordt de schootsteek gebruikt om een dun en een dik touw aan elkaar te verbinden. Hij kan ook gebruikt worden om een touw aan een lus te maken.

De schootsteek wordt o.a. gebruikt bij het vastmaken van de vlag, waarbij het lusje al aan de vlag vast zit. Aan de andere kant van de vlag gebruik je de platte knoop!

schootsteek

8. Achtknoop

Deze knoop heeft zijn naam te danken aan de vorm die de knoop heeft. De achtknoop wordt gebruikt om een lijn dikker te maken. Deze wordt bijvoorbeeld gebruikt bij het zeilen om te voorkomen dat een lijn los kan schieten.

Als je de achtknoop maakt met een dubbele lijn krijg je een stevige lus. Die versie wordt bij het klimmen gebruikt.

achtknoop

9. Balgooien- en vangen

Dit onderdeel kun je samen met nog een Welp afronden, waarbij je het gooien en het vangen afwisselt. Bij het gooien en vangen maakt het niet uit of je links of rechts gebruikt.

  • Gooi een tennisbal op zo’n manier (onder òf bovenhand) dat een ander deze op 8 meter minstens 4 van de 6 keer kan vangen.
  • Vang een tennisbal op 8 meter minstens 4 van de 6 keer. Doe dit zowel met beide handen, als met één hand.

10. Klokkijken

De tijd speelt een grote rol in het dagelijks leven. Wij beginnen en sluiten onze opkomsten op vaste tijden en je school ongetwijfeld ook. Dan is het natuurlijk wel erg handig als je zelf kunt zien hoe laat het is.

Een overzicht: een minuut heeft 60 seconden, een uur heeft 60 minuten en een dag heeft 24 uur. Een week bestaat uit 7 dagen en een jaar uit 365 dagen. Ook noemen we 15 minuten een kwartier en 30 minuten een half uur. Bijvoorbeeld half zeven i.p.v. dertig minuten na zes.

Je kunt de tijd lezen met twee soorten klokken, analoog (een ronde klok met wijzers) of digitaal (alleen cijfers). Een digitale klok kan 24 uur (dat is één dag) weergeven, een analoge klok 12 uur. Analoge klokken zie je vooral aan de muur, of als horloge. Digitale bijvoorbeeld op computers en telefoons.

digitale klok

Bij een digitale klok geeft het eerste getal het uur, en de tweede de minuten aan. Soms komen daar ook nog de seconden bij. Zo is 10:15 dus 10 uur en 15 minuten, ofwel kwart over tien.

Na de middag telt de analoge klok door, na 12 komt 13. Als het aantal uren hoger is dan 12, bijvoorbeeld 20:00, dan kun je de tijd eenvoudig berekenen door van de uren 12 af te halen, dus 20 – 12 is 8 uur ‘s avonds.

analoge klok

Bij een analoge klok heb je twee wijzers, een grote en een kleine. De plaat is ook verdeeld in 12 cijfers (de uren) en 60 streepjes (de seconden). De grote wijzer staat richting de uren en de kleine richting de minuten. Je kunt dus niet zien of het ochtend of avond is, maar dat is vaak geen probleem (je kunt dat immers ook aan het licht zien).

11. EHBO (deel 1)

EHBO is de afkorting voor Eerste Hulp bij Ongevallen. Bij kleine wondjes is het toepassen van EHBO voldoende, bij een groot ongeluk dient het vooral om erger te voorkomen, waarna medisch personeel het overneemt. Maar gelukkig valt het bij de Welpen altijd erg mee!

Tijdens onze opkomsten hebben we altijd een grote oranje tas mee, daar zit allerlei materiaal in voor EHBO. Dat is belangrijk, want we zitten in een bos en als er wat gebeurd is hulp dus niet dichtbij.

 

Brandwonden

Een brandwond ontstaat als je huid in aanraking komt met een heel warm oppervlak. Bijvoorbeeld een hete pan, of een brandende tak. Dat hoeft maar heel eventjes te zijn, dus het kan zijn dat je denkt dat je snel genoeg was, maar dan kan het even later toch beginnen te branden.

Een brandwond moet zo snel mogelijk gekoeld worden. Anders blijft de warmte in het lichaam en kunnen er blaren ontstaan. Hou een brandwond dan ook minstens 10 minuten onder stromend lauw water.

We hebben ook speciale verkoelende materialen in onze EHBO tas, mochten we bijv. niet in de buurt van water zijn.

Snij en schaafwonden

Een snijwond krijg je als je met een mes uitschiet en is vaak een rechte en diepe snee, en kan best bloeden! Een schaafwond krijg je als je valt en met je knie over de grond gaat. Dan ontstaat een grote ondiepe wond, met mogelijk veel gruis erin.

Het belangrijkste bij een wond is dat deze schoon wordt en blijft. Je huid is een harnas tegen bacteriën, en bij een wond is die bescherming weg. Daarom maken we wonden goed schoon, ook al kan dat best even pijn doen.

Een pleister of verband zorgt er vervolgens voor er geen viezigheid bij de wond zelf kan komen. De gebruikte materialen moeten dan wel ‘steriel’ zijn (vrij zijn van bacteriën).

Noodgevallen

Niet alleen in Nederland, maar in heel Europa hebben we een speciaal telefoon nummer voor noodgevallen: 112. Op elk moment in de dag zijn er mensen die wachten op telefoontjes op dit nummer, die dan zo snel mogelijk voor hulp kunnen zorgen.

Dat hoeft niet alleen om medische hulp te gaan, want ook de brandweer en politie kunnen ingeschakeld worden. Het belangrijkste is dat het gaat om een noodgeval waarbij spoed is.

Natuurlijk is het niet de bedoeling dit nummer te bellen als er geen noodgeval is. Stel je voor dat je dan net de lijn bezet houd, terwijl iemand anders wel in nood is. Daar staan dan ook boetes op.

12. Hout hakken (deel 1)

Tijdens de bijeenkomsten is er bijna altijd wel de mogelijkheid om hout te hakken. Bijvoorbeeld om een vuur van te maken, of aan een hut te werken. Bij het hakken zitten wel wat regels, vooral voor de veiligheid en om het hout zo eenvoudig mogelijk klein te krijgen. Het is heel belangrijk deze regels altijd in de gaten te houden.

  • Zorg dat je wijdbeens (maar niet overdreven) op de grond staat. Hierdoor sta je stevig en mocht het helemaal mis gaan dan zal de bijl eerder tussen je benen langs gaan in plaats van in je been!
  • Kijk voordat je gaat hakken of er niemand te dichtbij staat. Dat kun je doen door de kop van de bijl in je hand vast te houden en met uitgestrekte arm een rondje te bewegen. Als de bijl dan iemand kan raken staat diegene te dichtbij. Blijf dit in de gaten houden tijdens het hakken. De afstand is niet alleen belangrijk voor de bijl, maar ook rondvliegend hout.
  • Als je gaat lopen om hout te pakken, laat je in principe je hakbijl achter bij de hakplaats. Niet op de grond, maar op of in het hakblok. Als je er wel mee gaat lopen hou je de kop van de bijl in je hand, met de steel omhoog.

Naast deze regels kunnen vertellen moet je ook nog ècht kunnen hakken om dit onderdeel af te ronden. Laat zien dat je hout kunt splijten (door midden krijgen). Dat doe je door het hout zo recht mogelijk te raken op de nerven (met de lijnen mee).

13. Bezemen en zwabberen

Het is belangrijk om je leefomgeving netjes te houden. Thuis zal er bijvoorbeeld regelmatig stof worden gezogen en de ramen gewassen. Het binnenvaartschip dat we met de Welpen als clubhuis hebben moeten we natuurlijk ook onderhouden.

Vaak dweilen we met de leiding de Hoop na de opkomst (dan wordt het schoner dan bezemen), maar tijdens het zomerkamp bezemen we wel elke dag de zalen. Bij bezemen is het belangrijk het vuil van één kant naar de andere kant te brengen, op zo\’n manier dat er niks overgeslagen wordt of dubbel gedaan. Tussendoor kan dan het vuil dan met een veger en blik weg gehaald worden.

Het dek van het schip wordt natuurlijk ook vies, het is immers continu aan de wind en regen overgelaten. Om dat schoon te houden wordt er met een puts (een emmer aan een touw) en luiwagens vuil van het dek gehaald.

Bij het zwabberen gooit iemand een puts vol water met kracht over het dek, waarbij je vervolgens flink gaat poetsen tegen de stroom in (zodat het water zo lang mogelijk blijft). Uiteindelijk stroomt het water van de boot af en dat herhaal je een paar keer. Als je niet op past wordt je zelf ook erg nat!

14. De verkeersregels

Verkeersregels zijn de regels op straat, die ervoor dienen om de boel veilig te houden. In elk geval de regels voor voetgangers en fietsers hoor je te weten en je natuurlijk ook aan te houden. Maar let op, helaas doet niet iedereen dit, dus je zult altijd op moeten letten in het verkeer.

Regels voor voetgangers

In principe loop je als het mogelijk is op het voetpad. Als die er niet is, dan loop je op het fietspad. Dit doen wij natuurlijk als we richting het bos lopen. We zullen dan moeten opletten op fietsers en brommers die langs komen. We lopen links, omdat we die dan op tijd zien aankomen.

Oversteken

Bij het oversteken is belangrijk te weten wat de situatie is. Of er bijvoorbeeld verkeer aan zit te komen. Kijk dan eerst links, vervolgens rechts, en nogmaals links. Als er een zebrapad is kun je daar natuurlijk het beste oversteken. Dan heb je voorrang, tenzij er een verkeerslicht bij is (die is in dat geval belangrijker). Steek verder ook altijd recht over, en niet schuin.

Waar je ook oversteekt, je zult op moeten blijven letten, een auto kan je misschien wel over het hoofd gezien hebben. Je kunt ook niet als het verkeer al heel dichtbij is snel even oversteken, het verkeer moet wel kunnen stoppen. Als we met de groep oversteken, doen we dat altijd met z\’n allen. Dat duurt immers even, en we willen niet dat er halverwege opeens verkeer is. We wachten dan ook altijd bij elke oversteekplek.

De verkeersborden

Verplicht voetpad
Verplicht voetpad
Einde verplicht voetpad
Einde verplicht voetpad
Verboden voor voetgangers
Verboden voor voetgangers
Zebrapad
Zebrapad

Regels voor fietsers

Wanneer je fietst doe je natuurlijk bij voorkeur op het fietspad, en als die er niet is op de weg. Je mag niet fietsen op een voetpad, dan zul je af moeten stappen. Blijf altijd zoveel mogelijk rechts, inhalen gebeurd namelijk altijd links. Als je in een groep fietst, hou dan voldoende afstand van je voorganger, zodat je altijd op tijd kunt remmen.

Afslaan

Als je afsluit is het belangrijk dat dit voor iedereen duidelijk is. Kijk eerst achterom of de weg vrij is en steek dan je hand uit in de richting waar je heen gaat. Als er verkeer is dat rechtdoor gaat (bijv. een auto achter je, of voetgangers) dan moet je die eerst voor laten gaan.

Voorrang

Als fietser moet je voorrang verlenen aan iedereen die op een voorrangsweg rijd en bij een gelijkwaardige  kruising aan iedereen die van rechts komt. Ook een voetgangers op een zebrapad moet je voorrang verlenen.

De verkeersborden

Verplicht fietspad
Verplicht fietspad
Fietspad
Fietspad
Verboden te fietsen
Verboden te fietsen
Verboden voor verkeer
Verboden voor verkeer
Andere weg heeft voorrang
Andere weg heeft voorrang
Voorrang bij aankomend kruispunt
Voorrang bij aankomend kruispunt
Stoppen en voorrang verlenen
Stoppen en voorrang verlenen
Voorrangsweg
Voorrangsweg
Gevaarlijk kruispunt
Gevaarlijk kruispunt
Onbewaakte spoorwegovergang
Onbewaakte spoorwegovergang
Doodlopende weg
Doodlopende weg

15. De groepsregels

Als groep heb je een heleboel geschreven en ongeschreven regels. Die zijn er voor een reden, om bijvoorbeeld te zorgen dat het spel voor iedereen leuk blijft, of voor de veiligheid. De belangrijkste zijn:

  • Als de bel geluid wordt, of met de fluit geblazen wordt, verzamelen we en wordt er geluisterd naar wat er verteld wordt.
  • Heb je tijdens de uitleg een vraag of opmerking, steek je je hand uit en wacht je je beurt af.
  • Als je een spel wat minder leuk vind loop je niet zomaar weg en bij corvee natuurlijk al helemaal niet.
  • Heb je een wondje of voel je je niet lekker, vertel het de leiding – vaak is er niks aan de hand, maar we weten er liever van.
  • Pesten en elkaar namen noemen hebben we géén plek voor. Als iemand je ergens mee vraagt te stoppen doe je dat.
  • Om bij het bos te komen moeten we een stuk lopen. We wachten daarbij bij elke weg overgang tot we compleet zijn.
  • Als het goed is ben je lid omdat je het leuk vindt Scouting activiteiten te ondernemen. Vergeet dus vooral niet (samen) plezier te hebben!